Merkwaardige macro mineralen
een informatieve rubriek met handstukken uit de collectie van Raymond Dedeyne,
door hemzelf becommentarieerd en door Theo Muller van foto’s voorzien

KWARTS - Japanse tweelingen
Fengjiashan, Daye, Hubei, China



Kwarts is een mineraal dat heel gemakkelijk tweelingen vormt; in die mate zelfs dat niet vertweelingde kristallen relatief zeldzaam zijn - tot grote spijt van bijvoorbeeld electronicaconstructeurs die enkel heel zuivere enkelvoudige kristallen kunnen gebruiken. Het kan dan ook verschillende types tweelingen vormen – waarvan de Japanse tweeling misschien wel niet de zeldzaamste, dan toch wel de meest legendarische is.

Kristallografisch gezien is een Japanse tweeling een contacttweeling waarbij de individuen gerelateerd zijn volgens het (112̅2) contact- of vergroeiingsvlak. Voor veel verzamelaars is dat weinig tot nietszeggend, maar met wat wiskunde kun je, rekening houdend met de kwartssymmetrie, daaruit berekenen dat de twee prisma-assen (of c-assen) met elkaar een (inspringende) hoek vormen van precies 84°33’ - en dat maakt het herkennen al een pak gemakkelijker, zelfs voor de leek. Beide individuen van de tweeling (die niet noodzakelijk even groot zijn) hebben ieder twee tegenover elkaar liggende prismavlakken die evenwijdig zijn met het vlak gevormd door de twee c-assen: dit is een expliciete eis bij Japanse tweelingen. Meestal komt dat er op neer dat de betreffende prismavlakken twee aan twee in één vlak liggen (in gevallen waar beide kristallen even groot zijn), maar daar kan van afgeweken worden in bijvoorbeeld sommige gevallen waar de twee kristallen verschillend van grootte zijn. Steeds diezelfde vlakken zijn frequent (maar niet altijd!) sterk ontwikkeld en afgeplat en geven de tweeling een tafelvormig uiterlijk: vaak is dit een goed criterium om Japanse tweelingen te herkennen op een matrix, te midden van een massa andere kwartskristallen. De meeste Japanse tweelingen zijn van het V-type, met twee “benen” – er zijn er echter ook bekend met drie of zelfs vier “benen”: dit zogenaamde X-type is echter uitermate zeldzaam. De inspringende hoek van 84°33’ is niet altijd even goed ontwikkeld of zichtbaar, laat staan meetbaar: soms zijn de “benen” zeer kort, soms gaan ze snel over in een Tessiner habitus (een trapvormige opbouw die ontstaat door het alterneren van steile rhomboëder- en prismavlakken) en soms ontbreken ze zelfs volledig.

Kwartstweelingen van het Japanse type werden voor het eerst opgemerkt in la Gardette nabij het Franse Bourg-d’Oisans - een goud- en kwartsmijn die vooral in de 18e en 19e eeuw werd geëxploiteerd. Daarom noemde ze men ze oorspronkelijk dan ook la Gardette-tweelingen, een naam die tot op heden nog in de Franse literatuur overleeft. Een eerstbeschrijving volgde in 1829 door Weiss – en zo kwam de alternatieve naam “tweeling van Weiss” in zwang. In 1875 werden in Otome in de Japanse prefectuur Yamamashi, zowat 100 km ten Westen van Tokyo, soortgelijke tweelingen gevonden van een schitterende kwaliteit en tot 45 cm groot. Snel zagen daarop nog andere uitstekende Japanse vindplaatsen het licht – waarbij Otomezaka in de prefectuur Nagasaki zich als tweede beste profileerde. Op die manier kwam rond het begin van de 20e eeuw dan de naam “Japanse tweeling” in gebruik en dat is uiteindelijk de meest gebruikte geworden.

Het specimen op de foto (105 op 115 op 90 mm) is afkomstig uit de Fengjiashan mijn in Daye county, Hubei, China, die in 1966 werd opgestart om koper te ontginnen. Toen dit echter economisch niet erg rendabel bleek te zijn werd overgeschakeld op de winning van zeer zuiver wollastoniet – dat o.a. aangewend wordt als bindmiddel tussen glazuur en ondergrond bij keramische producten. De officiële naam van de mijn veranderde daarbij van de Daye Copper Mine naar de Fengjiashan Wollastonite Mine. Bij verzamelaars is ze vooral bekend omwille van haar inesiet, hubeiet, kwarts var. amethist en …. Japanse kwartstweelingen.

Op het specimen zitten twee sterk afgeplatte tweelingen zeer opvallend te midden van “gewone” kwartsnaalden tot 40 mm individueel. Eentje heeft een “tip-tot-tip spanwijdte” van 105 mm – al behoorlijk groot voor een Japanse tweeling (alhoewel voor Fengjiashan exceptioneel tot 300 mm werd gerapporteerd!) – voor de andere is dat 70 mm. De inspringende hoek van het kleinere exemplaar is duidelijk waarneembaar en ook goed meetbaar met een eenvoudige contactgoniometer – bij het grotere exemplaar is dat minder voor de hand liggend want daar zijn de “benen” herleid tot amper enkele millimeter. Inwendig zijn de tweelingen eerder troebel, met een mat oppervlak – wat zowat de regel is voor kwarts uit Fengjiashan. Ik betrok dit specimen van René Daulon – leverancier van menig beter Chinees specimen - op de beurs van Sainte-Marie 2019. Japanse tweelingen zijn behoorlijk zeldzaam en er is een sterke vraag naar: ze zijn bijgevolg ook navenant geprijsd. Als je daar bovenop dan ook nog eens specifieke extra eisen gaat stellen – je wilt bijvoorbeeld de variëteit amethist of rookkwarts of citrien of daarbij misschien zelfs een sceptervorm - dan is het prijzenhek pas helemaal van de dam.

alfabetische index