Merkwaardige macro mineralen
een informatieve rubriek met handstukken uit de collectie van Raymond Dedeyne,
door hemzelf becommentarieerd en door Theo Muller van foto’s voorzien

KWARTS - type Zinnenkwarts
Cavnic Mijn, Cavnic, Maramures, Roemenië



Foto 1: zijaanzicht



Foto 2: schuin bovenaanzicht



Foto 3: bovenaanzicht





Nee, u bent niet op de verkeerde website beland en uw computer werd evenmin gehackt. Voor we ditmaal echter bij mineralen terecht komen zult u wel even geduld moeten oefenen – maar geloof me: uiteindelijk komt alles weer goed.

Wie van de oudere Vlaamse lezers herinnert zich het Beiaardlied van Peter Benoit (uit 1877 – zie hierboven) niet? In mijn geheugen staat het alvast onuitwisbaar gegrift als standaard onderdeel van de wekelijkse zangles in het lager onderwijs, nu zo’n slordige zestig jaar geleden - où sont les neiges d’antan? Wij verkeerden toen nog in de waan dat goed zingen synoniem was met vooral heel veel lawaai produceren en dus brulden wij het opgelegde repertoire van oude Vlaamsche liederen met ongebreidelde geestdrift mee – tot radeloosheid van de schoolmeester. Vooral de passage met het negenvoudige da-ha-ha-ha-ha-ha-ha-haansen (tel maar na) mocht op ons enthousiasme rekenen, alhoewel we die zelden in één enkele adem uit onze strot kregen. Dat er in de teksten nu en dan archaïsche termen voorkwamen die we niet of nauwelijks begrepen was daarbij hoegenaamd geen beletsel. De “torentransen” uit het Beiaardlied was er zo eentje. Pas veel later kwam ik er achter dat daarmee de torenomgang wordt bedoeld, een bouwwerk opgetrokken rondom een centrale torenspits. Bovenaan was dat afgewerkt met kantelen of tinnen (nog zo’n archaïsch Vlaamsch begrip): rechtopstaande vierkante of rechthoekige stukken borstwering die bedoeld waren om de verdedigers van de toren bescherming te bieden tegen de projectielen die door aanvallers werden afgevuurd terwijl ze zelf relatief ongehinderd door schietgaten tussen of in de tinnen diezelfde aanvallers konden bestoken. In het Duits heet zo’n tinne een Zinne (wat niets te maken heeft met het metaal Zinn of tin).

En nu komt het: het zopas geschetste beeld van de torenspits, omgeven door de met tinnen bekroonde torentrans wordt aangewend bij het beschrijven van een bepaalde morfologische verschijningsvorm van kwarts – het zgn. Zinnenquartz. Het Nederlandstalig equivalent zou logischerwijze zoiets als “tinnenkwarts” moeten zijn, maar ik kan mij niet herinneren die term ooit nog eens ergens gehoord te hebben. Het concept Zinnenquartz wordt duidelijk geïllustreerd door de bijgevoegde foto’s van een kwartsspecimen dat zo uit een leerboek kristallografie lijkt te zijn gestapt. Het bestaat uit twee centrale “torens” (slanke prismatische kwartskristallen met romboëdrische beëindiging), die elk omringd zijn door een zeshoekige “torentrans” die is opgebouwd uit een aaneenschakeling van dunne lamellaire kristallen die zelf bekroond zijn met spitse “tinnen”. Volledigheidshalve: Zinnenquartz is geen wetenschappelijk begrip, het is geen afzonderlijke mineraalsoort en zelfs geen variëteit, maar enkel een van de talrijke morfologische verschijningsvormen waaronder kwarts zich kan voordoen.

Je kunt je afvragen hoe dergelijke vormen in de natuur tot stand zijn gekomen. Rudolf Rykart geeft in zijn kwartsmonografie “Bergkristal – Form und Schönheit alpiner Quartze” (1977 – zeer aanbevolen voor kwartsfanaten, maar helaas enkel nog antiquaar te verkrijgen) een vrij plausibele verklaring van wat hij als een groeistoornis beschouwt. Bij een prismatisch kwartskristal met romboëdrische beëindiging worden in een bepaald groeistadium de romboëdervlakken door een vreemde substantie afgedekt (carbonaat is hiervoor een goede kandidaat). Die vlakken kunnen dus niet meer groeien terwijl de prismavlakken zich verder normaal ontwikkelen en zo de dunne lamellaire “torentrans met tinnespitsen” vormen. Wanneer in een later stadium de vreemde substantie terug wordt opgelost kunnen ook de romboëdervlakken van het centrale kristal zich verder ontwikkelen tot de geïsoleerde spits van de “toren”.

Volledigheidshalve: alternatief zou men bij Zinnenkwartsen ook kunnen stellen dat in een bepaald stadium het prisma is afgebroken om dan later op het aldus ontstane breukvlak weer verder te groeien. Rykart verwerpt echter die mogelijkheid, gebaseerd op het feit dat er kristalgroepen zijn gevonden waarbij alle kristallen Zinnenkwartsen zijn – die dan ALLE op een analoge manier zouden moeten zijn afgebroken om vervolgens later terug aan te groeien: een hypothese die duidelijk wel wat teveel toeval veronderstelt!

Het specimen in kwestie (70 x 50 x 95 mm) is afkomstig uit de collectie van Johan Muizenbelt (een in 2004 overleden Nederlandse mineralenverzamelaar en -handelaar). Ik pikte het in 2014 op bij Pierre Rondelez op de Gentse Nautilusbeurs. Het is afkomstig uit de Cavnic mijn (in het Oostenrijks-Hongaars keizerrijk bekend als Kapnikbanya) – zowat de bekendste exploitatie in het hele Cavnic mijndistrict in Maramures, Roemenië. Hier werd in 1336 al aan mijnbouw gedaan. De ontginning van massale hoeveelheden lood, zink en mangaan maar ook kleinere hoeveelheden goud en zilver kwam er tot maximale ontplooiing onder het regime van Ceausescu (on)zaliger. Uiteindelijk werd de mijn volledig gesloten in 2008. Volgens bepaalde bronnen zou Zinnenkwarts in Cavnic frequent zijn gevonden, maar het exemplaar op de foto’s is het enige dat tot nog toe mijn pad heeft gekruist (inclusief de 500+ kwarts-uit-Cavnic foto’s op MinDat). De kristallen van het specimen zijn troebel (variëteit melkkwarts), wat voor deze vindplaats zowat de norm is. De onderkant van het specimen (op de foto’s niet te zien) is volledig opgebouwd uit een wirwar van kristalvlakken, wat erop wijst dat het ooit van zijn matrix is afgebroken, waarna het breukvlak op natuurlijke wijze terug is geheeld. Strikt gezien is het dus een floater, maar dan wel een die pas op latere leeftijd is ontstaan.

alfabetische index